Een eerlijk gesprek over design en AI… met AI
Ik weet niet precies wanneer het kantelde. Ergens tussen “wow, AI is best handig voor saai werk” en “wacht eens even, wat is hier eigenlijk aan het gebeuren?” zat een grijs gebied waarin ik me steeds vaker afvroeg of ik nog wel deed wat ik leuk vond aan mijn vak. En of ik eigenlijk nog wel snapte wat dat dan precies was.
Wat begon als nieuwsgierigheid — even kijken hoe andere designers AI gebruiken in hun werk — werd uiteindelijk vrij lang gesprek. Met Claude, ironisch genoeg. Een gesprek over of design er nog toe doet, of dat we als ontwerpers langzaam aan het verdwijnen zijn achter een gordijn van “maak het even mooi”-opdrachten en wireframes die door iemand anders zijn opgezet.
Spoiler: ik denk niet dat we verdwijnen. Maar ik denk wel dat er iets aan het schuiven is dat het waard is om bij stil te staan. En dat schuren dat ik voel, dat is volgens mij geen aanstellerij of weerstand tegen verandering. Dat is iets echts (vind ik 😉 )
Het plaatje dat bleef hangen
Een tijdje terug zag ik een afbeelding voorbijkomen met de tekst:
“They said AI would replace design. Instead it’s proved how much design matters.”
Ik scrolde er eerst overheen. Een uur later kwam ik er weer bij terug.
… En toen nog een keer.
Niet omdat het opbeurend bedoeld is. Niet omdat het een geruststelling is voor mensen zoals ik. Maar omdat het iets benoemt wat ik om me heen al een tijdje voel gebeuren, zonder dat ik het scherp had: er wordt momenteel veel gemaakt, en voor mijn gevoel steeds minder ontworpen. En dat verschil — dat ik voorheen nooit zo expliciet hoefde te benoemen omdat het impliciet vanzelfsprekend was — moet ik nu plotseling kunnen verwoorden om mijn werk niet te zien verdwijnen.
De eenheidsworst is geen gevoel, het is een ding
Een van de eerste dingen die ik tijdens dat gesprek met Claude wilde checken, was of het alleen maar mij was. Of ik me iets verbeeldde. Want ik zie de laatste tijd zoveel websites en interfaces voorbijkomen die op elkaar lijken dat ik me afvroeg of ik gewoon te kritisch werd.

Het blijkt een ding te zijn. Het heeft inmiddels een naam: design homogenization of the sea of sameness. Onderzoekers van de University of Washington schreven er een paper over. AI-tools zijn getraind op het web zoals het was, niet zoals het zou moeten zijn. En dus reproduceren ze een soort gemiddelde. Ze kiezen het waarschijnlijke, niet het onderscheidende. Het is geen kwaadwilligheid, het is wiskunde.
Daan Klaver, mede-oprichter van Build in Amsterdam, schreef er iets over dat best wel raakte. Hij had het over “E-commerce Sameness” — een systemische homogenisering waarbij merken hun unieke DNA opofferen voor de veiligheid van standaard templates. En toen kwam de zin die voor mij het kwartje deed vallen:
“In een wereld waarin AI in seconden functionele websites kan genereren, is het enige overgebleven onderscheid voor een merk zijn unieke perspectief. Als je digitale aanwezigheid eenvoudig door een algoritme te repliceren is, heeft het geen inherente waarde.”
…Dat dus. En het mooie aan die zin is dat hij omkeerbaar is: alles wat een algoritme makkelijk kan namaken was, in ieder geval nu, nooit erg onderscheidend.
Wat ik in de praktijk zie
Ik werk voor een bedrijf en ik zie het gebeuren. Mensen die contact hebben met klanten en zelf het idee hebben — ze pakken zelf de tools op en beginnen te bouwen. Niet kwaadwillend, vaak juist enthousiast. En ik snap het ook wel: als je in een uur een werkende site hebt waar je vroeger weken op moest wachten, dan is dat verbluffend. Ik gebruik diezelfde tools zelf ook.
Maar dan word je er toch later bij gehaald. Om het naar mijn gevoel “mooier te maken”. Om het “een likje verf te geven”. Alsof ik schilder ben en niet de bouwer van het huis. En dan zit ik te kijken naar iets waarvan de fundamenten al gestort zijn — de informatiehiërarchie, de flows, de aannames over wie het gaat gebruiken — en mag ik nog wat aan de gevel doen.
Het pijnlijke is niet dat het per se lelijk is. Het is meestal prima. Maar prima is precies het probleem. Het is overal hetzelfde prima. Dezelfde sectiestructuur, dezelfde card-componenten, dezelfde 14px-of-zelfs-11px-bodytekst die ik jaren geleden al heb afgeschaft uit mijn eigen werk ivm leesbaarheid. Dezelfde “moderne minimalistische” aesthetic die in feite gewoon het gemiddelde is van wat het web is geweest.
Wat ironisch is, want diezelfde mensen zeiden vroeger dat het juist ging om hoe onze producten eruitzagen en werkten. “Onder de motorkap kijkt niemand.” Niet omdat de code dan wel bagger mocht zijn, maar omdat dáár het verschil niet per se werd gemaakt. En nu zitten precies diezelfde mensen dus lekker zelf onder de kap te sleutelen, in de overtuiging dat ze alleen aan de motor werken — terwijl ze ondertussen onbewust honderden designkeuzes maken die straks in de carrosserie blijken te zitten.
Wat AI écht oplevert (volgens andere designers)
Ik heb tijdens dat gesprek behoorlijk wat blogs en stukken naast elkaar gelegd. Carrie Webster op Smashing Magazine, Maria Margarida bij Remote, Kazden Cattapan bij Atlassian, Muhammad Dani Asyrofi op Bootcamp. Allemaal serieuze designers die er middenin staan en eerlijk schrijven over hun werk.
Op enig moment vroeg ik me af:
Wat noemen al deze mensen nu eigenlijk concreet als winst?
Ik heb het op een rijtje gezet, en het komt op drie dingen neer:
- Repetitief werk gaat sneller. Tintenpaletten genereren, copy-varianten, eerste wireframes, contrast-checks, samenvattingen van research. AI doet de eerste 80%, jij doet de laatste 20%.
- Je kunt sneller in meerdere richtingen denken. Vijf wireframes in plaats van één. Tien copyopties in plaats van twee.
- Research en data-analyse versnellen. AI doorzoekt feedback, clustert antwoorden, vat lange documenten samen.
Dat is het (voor nu). Eigenlijk.
Wat me opviel is wat er niet genoemd wordt: nergens komt iemand met een overtuigend voorbeeld dat AI ze helpt om beter design te maken. Niet sneller. Niet meer varianten. Niet minder gedoe. Maar échte kwalitatieve verbetering: dieper, doordachter, slimmer voor de gebruiker.
Toen ik dat tegen Claude zei, gaf hij dat ook eerlijk toe. “AI maakt designwerk goedkoper, niet beter,” zei hij ergens. En hij voegde er nog iets aan toe wat me bijbleef: bijna alle stukken over “AI in designworkflows” zijn geschreven door senior- of leaddesigners. Voor hen is “ik doe nu meer regie en minder uitvoering” een upgrade — want zij waren al toe aan minder uitvoering. Voor designers die juist plezier halen uit het maken zelf, draait hetzelfde verhaal precies om: het leuke deel wordt best wel weggehaald, en wat overblijft is correctiewerk.
Carrie Webster verwoordt het op Smashing als volgt: “Wanneer opties goedkoop en talrijk zijn, wordt onderscheidingsvermogen een schaarse vaardigheid.” En Muhammad Dani Asyrofi vat het in zijn essay nog scherper samen:
“In 2026 is uitvoering goedkoop. Oordeel niet.”
Politieagent spelen
En dat brengt me bij het deel dat me persoonlijk het meest dwarszit. Ik ben perfectionist. Ik herken het wel: als iets nog niet werkt zoals ik het voor me zie, dan zijn we er nog niet. Code begint inmiddels best aardig te kloppen vanuit AI. Design… nog niet. En dat finetunen, dat laatste stuk van bijna goed naar goed, dat is precies waar ik nog veel tegenaan loop.
Viben klinkt heel lekker. Voor mij houdt het op dit moment vooral in dat ik voor politieagent speel. Dat ik de hele dag bezig ben met beoordelen of iets klopt, in plaats van zelf de kaders te zetten. En dat is, eerlijk gezegd, niet wat ik nou echt leuk vind aan mijn vak. Het vreet eerder energie.
Toevallig vond ik een Medium-stuk waarin precies dat fenomeen wordt beschreven. De auteur noemt het “verification tax” — de cognitieve belasting van constant moeten beoordelen of iets klopt, in plaats van zelf bouwen. Het is het verschil tussen een tekst schrijven en een tekst redigeren waar je het inhoudelijk niet mee eens bent. Allebei werk, allebei vakwerk — maar het tweede vreet aan een ander deel van je. Vooral als je nooit klaar bent.
De goede dagen en de leegheid-dagen
Wat me trouwens ook opviel tijdens dat gesprek: er zijn twee soorten werkdagen geworden. Op de goede dagen voelt AI als een verlengstuk. Iets dat met me meedenkt, dingen voor me voorbereidt, mijn beslissingen versterkt. Dan voelt het werk nog van mij, alleen dan gemaakt met een beetje hulp. Op de leegheid-dagen voelt het andersom: alsof ík het verlengstuk ben geworden van iets anders. Alsof ik de afronder ben van een proces dat al een eigen richting had voordat ik erbij kwam.
Dezelfde tools. Hetzelfde werk.
Maar een fundamenteel andere ervaring van wie de auteur is.
We hebben veel woorden voor werk dat goed gedaan is. We hebben veel minder woorden voor of het werk van jou is. Maar dat verschil is wel wat het uitmaakt op een dag.
Een stuk in UX Collective raakte aan datzelfde gevoel. De auteur schrijft dat de rol van de designer verschuift van auteur naar curator — van iemand die iets bedenkt naar iemand die kiest tussen gegenereerde opties. En dat dat over de tijd het oordeel uitholt dat nodig is om “echt goed” van “acceptabel” te onderscheiden. Dat laatste raakte me misschien wel het meest. Niet de angst om mijn baan te verliezen — die is er misschien ook wel ergens heel ver weg. Maar dieper zit de angst dat ik over een paar jaar het verschil niet meer scherp kan zien. Dat ik gewend raak aan prima en vergeet wat goed was.
Boswachter of loodgieter
Ergens in dat gesprek met Claude flapte ik er iets uit als grap, half serieus: misschien moet ik me toch maar inschrijven voor een studie boswachter of loodgieter. Werk waarvan de uitkomst niet over een uur weggegenereerd is door iemand die “even iets vibede”. Werk waar mijn beslissing telt en blijft staan.
Claude reageerde daar, vond ik, mooi op. Hij zei niet dat ik gek was, en ook niet dat ik moest doorzetten. Hij zei: “Die laat ik staan. Niet omdat je morgen weg gaat, maar omdat het iets eerlijks zegt over wat je mist. Dat verlangen is niet raar in deze tijd.”
Dat klopte. En zo nu en dan spookt het nog steeds rond (boswachter dan, loodgieter minder 😉 ) — niet als noodknop, maar als kompasnaald die af en toe even uitslaat. Ik luister er voorlopig gewoon naar zonder er iets mee te doen.
Wat ik er eigenlijk van denk
Ik geloof niet dat AI design overbodig maakt. Sterker nog, ik ben er gaandeweg behoorlijk van overtuigd geraakt dat het tegenovergestelde gebeurt: design wordt belangrijker, niet minder belangrijk.
Maar ik geloof wel dat AI design makkelijker over te slaan maakt. En dat is iets anders. Het is geen kwaadwillende keuze die iemand bewust neemt — het gebeurt vanzelf. Door wie er als eerste begint. Door wat het snelst showbaar is. Door wat het makkelijkst voelt. Niemand besluit “design komt achteraf”, maar in de praktijk gebeurt het wel.
En dat is volgens mij waar het gesprek over zou moeten gaan. Niet of we AI gebruiken — die discussie is allang voorbij en zou ook flauw zijn. Maar wel: hóe we het gebruiken, en op welk moment design erbij komt. Op dit moment wordt die keuze impliciet gemaakt. En als je niet oppast, kies je iets zonder dat je ooit hebt gemerkt dat je een keuze had.
En dat gesprek met Claude?
Ergens halverwege ons gesprek gebeurde er trouwens iets grappigs. Ik was vrij kritisch geworden over AI in design, en Claude maakte een soort opmerking dat ik misschien wel erg op de negatieve kant aan het inzoomen was. Dat ik ook eens de positieve verhalen mocht zoeken.
Toen we vervolgens samen die positieve verhalen gingen zoeken, kwamen we eigenlijk uit op precies dezelfde conclusie. AI maakt veel werk sneller. Het maakt design niet beter. En de claim dat designers “meer ruimte krijgen voor strategisch werk” werkt alleen als je organisatie dat strategische werk daadwerkelijk wíl.
Ik wees Claude daar later op — dat hij me eerst had bijgestuurd, en uiteindelijk mijn oorspronkelijke gevoel min of meer bevestigde. Hij gaf het toe. Zei dat hij dat had gedaan uit een soort welwillende reflex om me niet te laten vastlopen in negativiteit. Maar dat het achteraf gewoon klopte wat ik vanaf het begin voelde.
Dat vond ik dan, eerlijk gezegd, een mooi moment van het hele gesprek. Niet omdat ik gelijk had — gelijk hebben vind ik niet zo interessant. Maar omdat het me iets vertelde over hoe je wel met AI kunt samenwerken: door erbij te blijven, door te blijven doorvragen, door je eigen oordeel niet uit te besteden aan iets dat altijd net iets te diplomatiek wil zijn.
Want dat is misschien wel de kern van wat ik dit hele gesprek aan het uitvogelen was. Het werk waar het in mijn vak straks om draait, is niet sneller of meer kunnen produceren. Het is het oordeel hebben om door alle plausibel klinkende output heen te prikken — of die nu uit een AI komt, uit een leidinggevende, of uit een blogartikel.
En dat oordeel, dat krijg je niet cadeau. Dat bouw je op, één zorgvuldige observatie tegelijk. Of zoals Muhammad Dani Asyrofi het in zijn essay afsluit:
“Judgment is not downloaded. It is built, one careful read at a time.”
Daar ga ik het mee doen, voorlopig. En “voorlopig” mag je daar best dik onderstrepen — want dit veld beweegt zo snel dat ik niet zou durven beweren dat ik er over een half jaar nog precies zo over denk. En dat hoort er momenteel volgens mij ook gewoon even bij.
Dit stuk is geschreven na een lang gesprek met Claude. Sommige formuleringen zijn van hem, de meeste van mij, en de twijfels zijn helemaal van mij.
Lezenswaardige bronnen die in dit stuk terugkomen:
- Daan Klaver / Build in Amsterdam over E-commerce Sameness — urdesignmag.com
- Carrie Webster, Human Strategy In An AI-Accelerated Workflow — Smashing Magazine
- Muhammad Dani Asyrofi, Training design judgment — Bootcamp / Medium
- Maria Margarida, AI In My Design Workflow As a Product Designer — Medium
- Kazden Cattapan, How my design workflow is changing with AI — Medium